In opdracht van de KNVB schrijf ik handboeken voor amateurtrainers- en coaches. Hieronder vind je de meeste recente. In bladen als Communicatie Magazine, JM Ouders en NRC schrijf ik over voetbal in maatschappelijk verband. Voor vakblad De Voetbaltrainer schrijf ik over voetbal op professioneel niveau.

Alles wat je wilt weten over meidenvoetbal

‘Het onbevangene van welpen, dat moeten we zien te behouden’

Anouk Hoogendijk, KNVB Ambassadeur Welpenvoetbal

door Jeroen Siebelink, in opdracht van de KNVB, voorjaar 2016

Oranje-international Anouk Hoogendijk is niet zomaar de beschermvrouw van tweehonderdduizend Nederlandse voetbalwelpen. Gezien haar eigen ervaringen in het voetbal is het haar er veel aan gelegen dat onbezorgde en onbevangene van die leeftijd te bewaken.

[kader]

Anouk Hoogendijk (Woerden, 1985) is aanvoerder van Ajax Vrouwen en speelster van het Nederlands Elftal. In haar jeugd speelde ze bij CSW in Wilnis, Argon en Legmeervogels. Via SV Saestum in Zeist, waarmee ze twee keer landskampioen werd en twee keer de Supercup won, kwam ze bij FC Utrecht terecht. Daar won ze de Supercup en de KNVB-beker. Vervolgens kwam ze uit voor het Engelse Bristol Academy WFC, Ajax, Arsenal en tot slot weer Ajax. In 2004 debuteerde ze in het Nederlands elftal. Op het EK van 2009 reikte ze tot aan de halve finale. Ook deed ze mee bij het EK in 2013 en het WK in 2014.

Bezoek een voetbalclinic van Ajacied en Oranje-international Anouk Hoogendijk (31) en zie hoe beginnende voetballertjes als een troep welpen achter haar aan hollen – een beeld waar je op slag blij van wordt. Ze is altijd al gek geweest op kinderen. Toen ze zelf nog maar tien jaar was, had ze in de straat waar ze woonde al diverse oppasadresjes. En vandaag, na afloop van de ochtendtraining op Ajaxcomplex De Toekomst, als haar eigen portie voetbal van de dag er alweer op zit, staat ze langdurig te dromen langs de lijn bij de pupillen van Ajax.

Was ik nog maar zo jong, denkt ze dan. Vooral dat onbevangene van die kleintjes, hoe ze eindeloos kunnen blijven gaan. Zo was zij vroeger ook. Op zaterdag met het hele gezin blijven hangen op de club in Mijdrecht, voetballen op een veldje achteraf, totdat de zon onderging. Als bij Ajax video-analyses worden besproken, en het er weer eens stevig aan toe gaat bij de teambespreking, bevliegt haar soms die heimwee. Dan vraagt ze zich dingen af. Waarom was ik ook alweer gaan voetballen? Hoe kom ik terug bij dat pure plezier van toen?

Toen de KNVB haar vroeg of ze haar naam wilde verbinden aan het Nederlandse Welpenvoetbal twijfelde ze dan ook geen moment. Als ambassadeur wil ze graag helpen het plezier te bewaken van de bijna tweehonderdduizend mini-pupillen die zich jaarlijks aanmelden bij voetbalclubs. Kinderen van nog maar vijf of zes jaar, voor wie het voetbal nog een groot avontuur is.

Laat voetbaldebuut

Zelf maakte ze vrij laat kennis met voetbal. Ze was al negen toen ze zich aanmeldde bij voetbalclub CSW in het naburige Wilnis. Haar beide ouders waren docenten lichamelijke opvoeding. Thuis werd bewegen zeer belangrijk gevonden, ze deed op een gegeven moment aan vijf verschillende sporten tegelijk. Vanaf haar derde deed ze aan skiën, vanaf haar vierde zat ze op turnen, op haar vijfde ging ze op jazzballet en al gauw kwam daar ook nog tennis en schaatsen bij, terwijl ze tussendoor twintig zwemdiploma’s en zwembrevetten behaalde. Maar haar ouders vonden dat er nog een teamsport ontbrak. Ze hadden al lang gezien dat hun dochter aanleg voor sport had; Anouk won vele jeugdprijzen met tennis en turnen, maar een topsporter hoefde ze van hen niet te worden. ‘Wel leek het ze goed mij een brede basis te bieden. Ik moest van alles een beetje proeven.’

Voetbal dus? Niet per se. In haar woonplaats Mijdrecht bevond zich slechts één voetbalclub, het grote Argon, dat zich uitsluitend op jongens richtte. Bovendien leek haar hockey, basketbal of softbal, sporten waarmee ze op school kennismaakte, ook wel leuk. Ze kwam er niet uit. Het kwartje viel uiteindelijk tijdens een schoolvoetbaltoernooi, waar ze werd opgemerkt door scouts van CSW. Als ze bij CSW in Wilnis kwam spelen, zo klonk de lokroep, mocht ze voetbalschoenen uitkiezen. Kijk, dat werkte wel. Ze koos overigens niet de duurste, wel de schoenen die het lekkerste zaten. Maar vanaf die dag voetbalde ze elke dag. ‘Als ik niet trainde, voetbalde ik met jongens uit de buurt. Er was een periode dat ik op zaterdag zwom, twee wedstrijden voetbalde en ’s middags nog schaatste. Een enkele keer liep ik met mijn scheenbeschermers nog om de turnzaal in voor een wedstrijd. Dat turnen ging trouwens wel steeds stroever, want van het voetballen kreeg ik korte hamstrings. Maar het voetbal bleef.’

Na een seizoen bij de meisjes van CSW werd ze al gevraagd om mee te trainen met de jongens. Ook Dames 1 trokken meteen aan haar, en het was haar een eer om af en toe mee te doen met die volwassen vrouwen, maar zolang ze nog met de jongens mocht blijven meedoen, deed ze dat liever. Want inmiddels wist ze wel degelijk wat ze wilde. Ze wilde de voetbaltop bereiken. En daartoe moest ze zo lang mogelijk met en tegen jongens spelen. Op het hoogste niveau.

Na een uitstapje naar de jongens C1 van Argon, waar ze op haar zelf was aangewezen en waar geen kleedkamer ter beschikking werd gesteld voor het eerste en enige meisje van de club, wilde het bestuur alweer van haar af. Ze maakte het meidenvoetbal in Mijdrecht zo populair, dat steeds meer meisjes zich aanmelden. Daar zaten ze niet op te wachten. ‘Dat vond ik zo erg. Het was de club van mijn dorp, mijn vrienden speelden daar. Maar ik was er niet welkom.’

Ze kwam tenslotte terecht bij de jongens B1 van Legmeervogels, in het verderop gelegen Uithoorn. Opnieuw moest ze zich bewijzen. De eerste weken verliepen wat moeizaam, maar op een dag stapte een jongen op haar af.

‘Ehm, jij kunt best wel goed voetballen. We wilden even komen zeggen … nou je bent geaccepteerd.’

‘O. Nou. Fijn.’

Ze denkt nog vaak terug aan die tijd. Vooral als jonge voetballers haar naar een tip vragen om de top te halen. ‘Plezier’, zegt ze dan steevast. ‘Probeer hoe dan ook het plezier te behouden. Laat het je door niets of niemand afnemen, wat er ook gebeurt.’ Dat is natuurlijk makkelijk gezegd, maar haar gedachten zijn soms bij de mindere momenten in haar jeugd, die er nu eenmaal ook waren, momenten waarop het voetbal niet overliep van plezier. Altijd moest ze alleen douchen en omkleden. Ze moest zich redden in jongensteams, waar het later wel gezellig werd, maar waar ze in het begin niemand kende. Met van die bijdehande tiepjes erin, die haar niet meteen het gevoel gaven dat ze welkom was. Ze kon dan niets anders doen dan zich te concentreren op de wedstrijd, haar taken goed uit te voeren, en zo langzaamaan waardering te winnen. En was ze eenmaal opgenomen door de groep, dan was er nog de tegenpartij, die graag het plezier van het enige meisjes in de competitie vergalde. Kreeg ze een sliding te verwerken? ‘Hé, ze valt op je!’ Elke week opnieuw. ‘Ga je nu met ze douchen?’

Het was niets vergeleken met de wedstrijden die ze tegen bepaalde Amsterdamse clubs speelde. ‘Dat wijf! Schop dat wijf neer!’

Chocoladebeentje

Ze pakten het plezier toch niet af. Ze wilde te graag slagen. Achteraf verbaast het haar wel dat ze met haar late start met voetbal, zonder een veilige begintijd bij de welpen en de jongere pupillen, geen achterstand had opgelopen op leeftijdgenoten die wel al vanaf hun vijfde voetbalden. Zelfs trapveldjes bezocht ze voor haar negende niet, ze raakte in die tijd nauwelijks een bal. Maar ze leek niet veel te hebben gemist. Met het talent dat haar gegeven was, kon ze zo aanhaken bij de jongens. Natuurlijk trainde ze van begin af aan hard, en oefende ze thuis veel op de opdrachten die ze meekreeg van de trainer, maar pas nu, bij het Nederlands elftal, waar ze samenspeelt met jongere generaties meiden die wel vroeg startten met voetbal, beseft ze dat ze toch wel iets beter was geweest als ze een paar jaar eerder met voetbal in aanraking was gekomen.

Neem een international als Jill Roord (18). Die heeft de balvaardigheden met de paplepel ingegoten gekregen, met links en met rechts is ze even sterk. Bij de jonkies van Ajax ziet Anouk het ook. ‘De trainers van nu gaan daar net wat ludieker mee om dan toen. F-pupillen van Ajax krijgen voor hun sterke been de goede sok, maar voor hun zwakke been krijgen ze een groene. Ook krijgen ze allemaal een klein balletje met hun naam erop. Als ze even moeten wachten, kunnen ze daarmee hun zwakke been oefenen. Gaan ze vooruit, krijgen ze een oranje sok. Zijn ze tweebenig, krijgen ze voor beide benen de juiste kleur. Nou, reken maar dat ze elke dag staan te oefenen met hun chocoladebeentje.’

Hoe goed was Anouk geweest als ze vier jaar eerder was begonnen met voetbal? Beter, denkt ze. Op snelheid kwam ze in de A-junioren niet meer langs de jongens. Het kwam in dat testosterongeweld aan op iets extra’s, iets dat haar soms ontbrak. Techniek, die ze misschien wel had gehad als ze eerder was begonnen met voetbal. Ze heeft het altijd moeten hebben van haar inzet, haar inzicht en haar creativiteit. Zo heeft ze het lastig gevonden om zich op het middenveld onder druk aan te bieden. In de kleine ruimte de bal meteen panklaar hebben, en dan door. Dat had ze misschien wel in de benen gehad als ze al vanaf haar vijfde had gevoetbald.

Haar vader heeft het vaak gezegd: oefen met je zwakke been. Dat deed ze, maar voor een tienjarige is dit lastiger dan voor een flexibele zevenjarige. Voor haar verjaardag kreeg ze de dvd’s van de Ajax-opleiding, deel 1, 2 en 3. In de achtertuin legde ze een rij stokken neer, om net als in de video te werken aan haar loopcoördinatie. Tot slot probeerde ze zich te onderscheiden door te oefenen op koppen. Daar viel volgens haar vader nog winst te behalen. Maar net als van al deze late inhaalmanoeuvres heeft ze ook van de eerdere, voetballoze jaren nog elke dag vooral profijt. Zo scoorde ze voor Ajax meermaals met een prachtige omhaal. Haar turnachtergrond; het acrobatische zit er nog altijd in.

Ongeremd en speels

Was ze bij CSW nog een aanvalster die tien doelpunten per wedstrijd scoorde, en werd ze op haar zestiende een verdedigende middenvelder die ballen onderschepte en het spel op gang moest brengen, zo is ze bij Ajax en Oranje nu verdediger. Langzaam zakte ze door de linies. Ze haalde eruit wat erin zat.

Had er wellicht nóg meer ingezeten als ze eerder was begonnen met voetbal? Was ze dan een veel scorende spits bij Bayern München geweest? Ze haalt haar schouders op. Wat doet het ertoe? Ze is alleen maar dankbaar voor wat ze heeft bereikt. Het heeft er namelijk een tijdje niet zo goed uitgezien in haar leven. Op haar vijfde kreeg ze te maken met een bacteriële hersenvliesontsteking, waardoor ze een tijdje leed onder motorische stoornissen. Ze moest even van alle sporten af, het duurde jaren voordat ze weer volledig functioneerde. Voor die ziekte was ze lief en leuk, dat weet ze nog. Daarna werd ze tijdelijk onhandelbaar. Haar ouders moesten zelfs met haar in therapie. Totdat ze ging voetballen was ze druk, hyperactief. Altijd was ze buiten, aan computerspelletjes deed ze niet. Enerzijds hield ze van meisjesdingen, ze droeg sieraden, maakte zich op en droeg graag roze, maar net zo lief trok ze haar buitenspeelkleding aan die zwart mocht worden en waar ze mee in bomen klom.

Net een echte mini-pupil, nu ze er over nadenkt. Ongeremd, speels. Ik en de wereld. Een wereld nog zonder een bal, maar al wel met een tennisracket en een rekstok. Hielden haar trainers rekening met dat typische avontuurlijke op die welpenleeftijd? ‘Soms niet. Ik was een strebertje, wilde het graag goed doen.’ Ze won medailles met tennis en turnen, en sommige trainers vonden dat alleen maar leuk, maar andere trainers probeerden haar juist af te remmen. Ze liep met alles voorop, oefende thuis eindeloos op de radslag, de overslag, de flikflak. Stond vaak te stuiteren bij de veel te lange uitleg; ze wilde niet luisteren, ze wilde doen. ‘Rustig Anouk. Nu even niet, Anouk.’ Dat vond ze moeilijk. Ze bedoelde het toch goed? Een aai over de bol. Dat was alles wat ze nodig had, dan deed ze nog meer haar best. Ze was nogal gevoelig. Altijd bezig met anderen. Bij voetbal ging ze met de bal voor het doel staan wachten, tot de anderen waren bijgesloten, zodat zij ook een keer konden scoren. In een evaluatie kreeg ze te horen dat ze ‘te sociaal’ was. ‘Nu nog, als aanvoerder van Ajax, krijg ik dat terug. Altijd moeten alle speelsters het naar de zin hebben.’

Wonderland

In tweeëntwintig jaar voetbal is ze dichtbij zichzelf gebleven. De welp in haar. De behoefte om alles te geven; het ontbreken van de eerste vier voetbaljaren doet daar niets aan af. Een late start lijkt nu eenmaal het meidenvoetbal aan te kleven. Want nog altijd melden de meeste meisjes zich pas op hun negende aan bij een voetbalclub. Veel meisjes echter beschikken niet over Anouks talent en doorzettingsvermogen om langer van voetbal te genieten. Clubs doen er weinig aan om het ze het echt naar de zin te maken, zodat veel meisjes al na een seizoen weer van voetbal gaan. Anouk vind het belangrijk om juist meisjes te stimuleren om eerder op voetbal te gaan. Ze wil clubs aanmoedigen open dagen te organiseren, alsmede gasttrainingen op de kleuterklassen van basisscholen.

Net als haar ouders heeft ze de ALO-opleiding voltooid. Ze is leraar lichamelijke opvoeding, ze wil graag iets overbrengen. Als ze als ambassadeur weer eens het land in trekt en clubs bezoekt om clinics te verzorgen voor de welpen, grijpt ze graag terug op wat ze heeft geleerd tijdens haar studie, en haar stages voor gymklassen van de basisschool. Zo is voor vijf- en zesjarigen voetbal nog echt een avontuur. Een spel, geen competitieve sport. Het gaat niet om medespelers en tegenstanders, alles draait om de bal. Een welp ervaart wat de bal doet, en wat hij de bal kan laten doen. In voetbalspelletjes – zonder langdradige uitleg – maakt de vijfjarige kennis met de weerspannigheid ervan. Het is de kunst hem te verleiden de bal aan te nemen, te dribbelen en te mikken. Niet binnenkant paal, wel mag het konijn omver. Hij ervaart zijn omgeving niet als een voetbalveld met afmetingen en regels, maar als een wonderland. Het is daarom goed om van alles een spelletje te maken, om elke activiteit aan te kleden als een spannend avontuur. Vaktermen hebben geen enkele zin, zelfs tips beperk je tot het minimum. Je geeft alleen een aanwijzing als de mini-pupil er duidelijk voor openstaat. Eigenlijk hoef je hem alleen maar aan te moedigen.

In de begeleiding van activiteiten voor welpen, zo merkt Anouk steeds weer, doe je eerder teveel dan te weinig. ‘Op die leeftijd zijn ze nog zo eerlijk en lief en oprecht, alles wat je ze opdraagt te doen maakt het welpenvoetbal alleen maar minder onbevangen.’ Het is dat zorgeloze dat we moeten bewaken, we hoeven alleen maar hun zorgen weg te nemen. Laatst, op een clinic, merkte ze dat spelers van vijf soms met andere dingen bezig zijn dan voetbal. Ze kennen niet eens het doel van het spel. Scoren? Onder toeziend oog van de vrolijke Oranjemascotte Dutchy de Leeuw moedigde ze een spelertje aan om alvast bij het doeltje te gaan staan. Zij zou de bal wel naar hem toe spelen, dan hoefde hij hem er alleen nog maar in te schoppen. Maar nee, hij kwam steeds weer achter haar aan. En de rest volgde, zodat al snel een kluitje ontstond, iets waar welpen patent op hebben, en wat je ze vooral niet moet afleren. Toen het kluitje langzaamaan als vanzelf al uitwaaierde, en spelers zich meer verdeelden over het veld, klampte dat ene jochie zich nog steeds aan haar been vast.

‘Wat is er dan?’ zei ze. ‘Doe maar mee!’

‘Ik ben bang.’

‘Waarvoor dan?’

‘Die leeuw.’

‘O, die doet niks hoor. Kom, dan gaan we hem aaien.’

Maar nee, het jongetje wilde niet meer meedoen. Hij wilde niks met zo’n griezel te maken hebben. Hij had die dag even schoon genoeg van voetbal.

 

Mijn papa is positief. Oók op zaterdagochtend

door Jeroen Siebelink

Uit: JM Ouders, zomer 2010

Sport maakt zoveel in je los, dat je soms vergeet dat je vader bent. Als je dan zo nodig je kind wilt coachen, coach dan positief. ‘Mijn vader houdt alleen van mij als ik een doelpunt maak.’

‘Wat een stel lamlendige gasten zijn jullie’, grauwde een Ajax-jeugdtrainer in Daar Hoorden Zij Engelen Zingen uit 1999, de voetbaldocumentaire die ophef veroorzaakte. De man had het tegen E-pupillen. ‘Mitchell, ik vind het echt ongelooflijk. En jij Kevin hebt ook nog wat goed te maken hè.’

Negen jaar na verschijning ervan vroeg ik Jan Olde Riekerink, hoofd jeugdopleiding van Ajax, of hij inmiddels kennis had genomen van de stroming positief coachen. ‘Daarmee sluiten we de ogen voor hoe de voetbalwereld in elkaar zit’, was zijn antwoord. ‘In het eerste elftal communiceren ze soms slecht. Daarop moeten we spelers voorbereiden. Hoe vroeger kinderen leren omgaan met kritiek, hoe beter. Een discussie kappen we soms bewust af. Wij ex-profs zijn daar ook niet slechter van geworden. Alleen mensen uit de sport begrijpen hoe dat werkt.’

Middenin een vraag – ik vroeg nog wat door over hoe je het beste uit sportieve kinderen haalt zonder ze te frustreren of te forceren – kapte mijn bron het gesprek af en leidde me naar de deur.
‘Wie ga je nog meer interviewen?’
‘Jonge spelers. En natuurlijk hun ouders.’
‘Och jee. Dan krijg je alleen maar emotionele verhalen.’

Wel winnen hè
Nog meer dan op jonge spelers kijkt de klassieke voetbalcoach neer op ouders. In het amateurvoetbal is dat niet anders dan in het profvoetbal. Ouders krijgt de jeugdcoach er gratis bij. Lastige bemoeials, die hij steeds moet vertellen dat alleen hij de baas is langs de lijn.

‘Ik ben het liefst coach van een weeshuis’, geeft zelfs een moderne handbalcoach als Ewald van Kouwen toe. Hij verzorgt workshops over positief coachen. Zijn verlangen naar ‘spelers zonder ouders’ is niet alleen maar ironie. Te vaak in zijn bestaan als coach liepen ouders hem voor de voeten. Vlak voor een belangrijke wedstrijd had hij in de kleedkamer zijn spelers aangemoedigd zich op hun taken te concentreren. Winst? Natuurlijk draait het daar om. Maar hij zei er niets over. Heeft geen zin, daarop te hameren. We moeten winnen! schreef bondscoach van Argentinië Diego Maradona in chocoladeletters op een groot vel papier aan de muur van de kleedkamer. Zijn team verloor kansloos, waardoor ze bijna het WK van dit jaar misliepen. Over de uitslag moeten spelers zich geen zorgen maken, vindt Van Kouwen. Hij spoorde zijn spelers dan ook aan te doen waar ze goed in zijn. Daar hebben ze immers wél controle over. Vol zelfvertrouwen verlieten ze de kleedkamer. Terwijl ze het veld op liepen, daalden de aanmoedigingen op hen neer. Wel winnen hè!

‘Naar voren’, coachte Van Kouwen vervolgens een speler.

‘Naar achteren, naar achteren!’, coachte diens vader tegelijk.

De jongen bevroor. Wat hij ook deed, hij kreeg hoe dan ook op zijn kop. Na een teleurstellend toernooi ontving een jonge Nederlandse turnster bij aankomst op Schiphol een sms’je van haar ouders. Zie maar hoe je thuiskomt. Een Franse vader wilde zo graag dat zijn zoon won met tennis, dat-ie iets in de bidon van de tegenstander goot waardoor hij wazig zou zien. De jongen bleek er allergisch voor en is nu dood – de man zit in de gevangenis. Dan toch liever de moeder van topbasketballer Lebron James? Nadat een tegenstander een overtreding op hem beging, mengde ze zich bezorgd in het opstootje. Sit your ass down, zei haar zoon.

Ouderavonden, ‘contracten’ met omgangsregels ‘binnen en buiten de lijnen’ waaronder ouder en kind hun handtekening zetten, tien-minutengesprekken. Het baat zelden. Wat wel? Tegen de explosieve cocktail van sportieve én ouderlijke emoties? Ouders willen nu eenmaal het beste voor hun kind – of zichzelf. Van Kouwen geeft ze nu een eigen wedstrijdbespreking. Na die met zijn spelers roept hij de ouders de kleedkamer in en neemt hij ze mee in zijn coaching. ‘De grootste kritikaster geef ik een taak: noteer alle schoten hoog en laag op doel.’

Cruyff-aspiraties
Met een coach als Van Kouwen, die positief coachen praktiseert en predikt, mag je als vader van een jonge voetballer blij zijn. Hoewel positieve coaches in opkomst zijn, vormen ze op de Hollandse velden nog een minderheid. Niet dat al die kerels van de gestampte pot het slecht voor hebben met je kind. Het probleem zit dieper.

Voetbal in clubverband is van oorsprong iets van volwassenen. Inmiddels is de jeugdafdeling meestal groter dan de seniorenafdeling, maar het traditionele verenigingsbelang telt nog altijd. Identiteit, rivaliteit, kampioenschap, promoveren, doorselecteren, wedstrijden winnen – als het moet tegenstanders doormidden schoppen – ze wegen voor volwassenen zwaar. Waarden, die coaches ook hanteren voor de jeugd. Toch is de jeugdspeler geen kleine volwassene. Die komt niet alleen om te winnen. Hij komt ook om te bewegen, proberen, lachen.

Helaas staat de klassieke coach niet alleen in zijn oudtestamentische winnaarsmentaliteit. Hij heeft jou, als vader van zijn speler langs de lijn, niet voor niets het zwijgen opgelegd. Hij voelt: jij bent minstens zo erg als hij. Zeker als jijzelf hebt gevoetbald. Na al die zaterdagen vroeg op wil jij junior wel eens voortgang zien boeken. Moet dít over een paar jaar een volwassen voetballer zijn? Die totaalvoetbal speelt, met opkomende backs, overal driehoekjes en een ruit op het middenveld? ‘Vraag je af’, zegt KNVB-opleider Corné Groenendijk, ‘moet jij werkelijk je Cruyff-aspiraties vertalen naar een kind?’

Het gaat er niet om wat het kind moet worden – maar wat het nu is, vindt men in de bossen van Zeist. Daar, in het hol van de voetballeeuw staat de KNVB Academie. Broedplaats van vele initiatieven ter begeleiding van jonge voetballers en hun leiders. De voetbalbond wil óók die grauwe, autoritare coach in zijn donkere ballenhok een beetje verlichten. In de hoop dat die man op een dag inziet dat het beter is het kind dingen zelf te laten ervaren, zelf te laten ontdekken. Alles wat hij moet geven is begrip, warmte, zelfvertrouwen – een paar van zijn gewichtige voetballessen is mooi meegenomen.

Na weer een rondje langs wat harde koppen op de zaterdagse velden zuchten KNVB-opleiders soms: eigenlijk zijn moeders de beste coaches. ‘Welke trainer herinner jij je van vroeger?’, zegt Groenendijk. ‘Diegene van wie je zoveel leerde over voetballen? Of diegene die aardig en betrokken was?’

Opspattend water
Je coacht je kind zoals jij vroeger zelf bent gecoacht. Je voelt wel dat het soms beter kan, maar houdt toch maar vast aan dat oude denkpatroon. Komt onder de beste voor. Marc Lammers, de bekroonde bondscoach van de hockeydames, dacht lang: als we beter willen worden, moeten we werken aan dingen die niet goed gaan. Voor een confrontatie met angstgegner Australië zei hij: dit en dat moet beter! De dames keken op hun horloge. Wanneer is deze training voorbij?

Later ontdekte Lammers dat spelers die eigen ideeën mogen vormgeven, meer gemotiveerd zijn dan als de coach iets bedenkt. Hij vroeg: hoe kunnen we onze strafcorner verbeteren? Ze kwamen met het plan om één speler hard in het kunstgras te laten slaan zodat opspattend water inlopende verdedigers verblindt. Wat een debiel idee dacht hij, maar okay. In een belangrijke wedstrijd werd de variant een doorslaand succes. De tv-commentator riep: ze slaat in het gras, een blunder!

Voortaan concentreerde Lammers zich louter op het positieve. Hij zei niet wat er slecht ging, maar vroeg hoe het beter kan – en luisterde echt naar de antwoorden. Volgens Van Kouwen is het de beste investering in een speler. Oók als ouders en club je afrekenen op het resultaat van de laatste zaterdagwedstrijd. Maar de kinderen zelf dan? Zijn die niet minstens zo prestatiegericht als hun ouders?

Wat als je jonge spelers vraagt in welke opstelling ze moeten spelen? Belandt dan de zwakste op de bank? ‘Kinderen komen met oplossingen waar ik zelf nooit aan heb bedacht’, zegt van Kouwen. ‘Elke dag leer ik van ze. Zetten ze toch het sukkeltje op de bank – dan is dat een reflex van thuis of een eerdere, negatieve coach.’

Na een verloren wedstrijd tegen een zware tegenstander stonden zijn jongens te juichen onder de douche. Mensen zeiden: die gasten van jou sporen niet. Ze horen verdrietig te zijn! ‘We hadden drie maanden lang keihard geoefend op een nieuwe tactiek om de cirkelspeler vrij te krijgen. Ik zei: als jullie dat één keer lukt, zijn jullie winnaars.’

Moeder
In gedachten ziet van Kouwen zijn vader langs de lijn staan, bij voetbal. ‘Ik had het toch gezegd’, voegde hij kleine Ewald toe na een teleurstellende pot. ‘Ga niet steeds binnendoor maar ook eens buitenom.’ In de kleedkamer deed de coach het nog eens dunnetjes over.

Toen Van Kouwen later zelf coach werd, nam hij zich voor kinderen te coachen op wat er goed gaat. Op wat ze zelf in de hand hebben. Nog elk seizoen houdt hij ze voor dat hij ze nooit op de kop geeft als ze techniek of tactiek verkeerd uitvoeren. Wél als ze te laat komen, de scheids uitschelden of de kantjes eraf lopen. Een spits die hoog overschiet? Die krijgt niet te horen: ‘die bal moet er wel in hoor!’ Van Kouwen bijt zijn tong af en zegt: ‘goed vrijgelopen!’ Oprecht compliment, want die jongen wás goed ingestart. Maar voor de nodige kritiek loopt hij vervolgens niet weg. Die verpakt hij – na afloop – in nóg een oprecht compliment. ‘Goed hard gewerkt! Buig de volgende keer je bovenlichaam meer over de bal.’

Nadat de kleine Ewald door zowel vader als coach was ingepeperd wat hij allemaal niet goed had gedaan, knuffelde zijn moeder hem in de kantine. Ze zei: het komt allemaal goed. ‘Maar ik dacht: mijn vader houdt alleen van mij als ik een doelpunt maak. Ik stopte met voetbal.’

Hij nam zich voor van ál zijn spelers te houden. Ongeacht de prestaties.

Een positieve zaterdagochtend met je voetballende kind

1.De avond ervoor. De basis is zelfvertrouwen. Die bouw je met aandacht en compliment. ‘Pokon voor je kind’, zegt positieve coach Ewald van Kouwen. ‘Je demotiveert door vooraf allerlei opdrachten mee te geven. Dat doet de coach van je kind al meer dan genoeg. Jij bent er voor de geborgenheid.’

2.Op weg naar de club. Positief coachen vraagt geduld. Je hebt er alleen energie voor als je van te voren duidelijke afspraken maakt over wat wel en niet kan. Doet de coach dat niet, ligt daar voor jou als vader een taak. Wat doen we niet? Schelden op elkaar. Wat wel? Elkaar helpen. Laat je kind meedenken. Wanneer wordt dollen pesten? Is het leuk als je steeds zegt dat de ander niet kan voetballen? Pas op voor te veel regels. Ze zijn geen doel op zich. Leg uit waarom het belangrijk is dat hij iets niet mag, dan houdt hij zich daar sneller aan. Vraag of hij denkt zich er aan te kunnen houden. Als hij ja zegt, doet hij dat ook eerder.

3.In de kantine. Complimenten werken voor iedereen, daarbovenop is maatwerk nodig. ‘Ontdek persoonlijke drijfveren’, zegt Van Kouwen. ‘De ene komt voor gezelligheid, de ander omdat-ie naar FC Barcelona wil. Tegen die ene zeg je niet: jullie gaan goed hè op de ranglijst. Tegen de ander heeft het weinig zin te zeggen: gezellig dat we er weer zijn!’ Signaleer je ongewenst gedrag? Alles wat je aandacht geeft, groeit. Negeer het zoveel mogelijk. Beloon het goede. Houdt het aan? Reageer anders dan verwacht. Is hij ‘alleen maar lastig’ maar pakte hij wel op tijd zijn tas? Goed gedaan! Geef een belangrijke taak, een verantwoordelijkheid. Creëer een band. Sluit een weddenschap – ik poets jouw kicksen als…

4.In de kleedkamer. Vanaf hier neemt de coach het stokje over. Ben jij dat zelf? Dollen in de kleedkamer mag, maar zodra je het woord neemt, eis je stilte. ‘Lukt dat een speler niet, dan mist hij de bespreking’, zegt van Kouwen. ‘Vinden ze heel vervelend. Maar zet nooit iemand voor schut, behandel iedereen hetzelfde en altijd op dezelfde manier.’ Wees vooral enthousiast. Geef ze hoogstens één collectieve taak, spring niet van de hak op de tak. Coach in woord én beeld. Waar moet ik staan, hoe moet ik lopen?

5.In de rust. Rust is rust. Natuurlijk moet er wel iets worden gezegd. Beter: gevraagd. Hoe vinden jullie dat het gaat? Smeer dingen die fout gaan niet in. Hebben ze zelf al lang gezien. Wat kan er beter? Vul dat niet voor ze in. Die bal moet er wel in hoor! Vergeet het scorebord. Blijf taakgericht coachen, juist bij achterstand. Blijf bovendien optimistisch.

6.In de kantine. Complimenten na afloop werken alleen als ze eerlijk en concreet zijn. Schuif niet als een Erica Terpstra het beeld in: iedereen is altijd een kanjer. Als je overdrijft, devalueren je woorden en kweek je prinsjes. Doet de coach hetzelfde, gaan talenten naast hun schoenen lopen. Of de coach applaudisseert al lang niet meer voor een doelpunt, want dat spreekt vanzelf. Ook zo’n talentvolle speler snakt naar een schouderklopje.

7.Weer naar huis. Sluit de wedstrijddag altijd af met een goed gevoel. Bespreek geen technische details, daarvoor staan de oren niet meer open. Beloon wel bijzondere inzet. Benadruk positieve momenten, ook de teamprestatie. Stel open vragen. Niet: terecht toch dat de coach kritiek op jou had? Vraag: wat zei hij dan? Wat vond jij ervan? Toon onvoorwaardelijke liefde: ik hou toch wel van jou. Laat hem het verschil zien tussen coach en vader.

Het boek De Voetbalbelofte, Achter de Schermen van de Jeugdopleiding van Jeroen Siebelink is verkrijgbaar in boekhandel of via internet. Voorpublicaties, recensies en optredens zijn te vinden op www.devoetbalbelofte.nl. In opdracht van de KNVB schrijft hij nu een serie handboeken voor amateurvoetbalcoaches.

 

 

Je stinkende best

Wat kunnen ouders leren van voetbalopleidingen?

door Jeroen Siebelink

Uit: JM Ouders, 2009

Jonge voetbalprofs worden door autoritaire trainers gedrild, zo is het beeld. In werkelijkheid nemen moderne profclubs als Sparta met hulp van psychologen steeds meer opvoedkundige taken van ouders over. Tips en trucs uit de kleedkamer.

Elke twee weken komt de selectie van Sparta C1 uit Rotterdam bijeen voor een praatsessie. Ze zijn dertien. Hun trainer-coach zit er niet bij, alleen een ‘onafhankelijke’ mentale begeleider. Zo kunnen de jongens veilig en vrijuit praten – over onder meer hun trainer – zonder meteen voor hun basisplek in het team te moeten vrezen.

Zonder het te weten, dragen ze al het hele seizoen een etiket. De trainersstaf plakte dat heimelijk op hen om de persoonlijke omgang te bevorderen. Zo is de linksbuiten van de C1 een typische ‘rebel’. Op zijn best is hij creatief en onvoorspelbaar, op zijn slechtst egoïstisch en tegendraads. De rechtsback is juist een ‘afwachtende’. In zijn kracht is hij alert en geconcentreerd, maar hij vervormt die kernkwaliteit soms tot grote nederigheid. Op het trainingsveld, bij potjes zes tegen zes, daagt de trainer hem soms uit. ‘Jíj bepaalt vandaag de opstelling. En kijk nu níet naar je aanvoerder.’

Een middenvelder – een ‘meegaande’ – wordt naar het bord geroepen. Sociale jongen, mag wat solistischer worden. De begeleider wijst naar de rebel. ‘Schrijf over hem maar drie goede en drie slechte dingen op. Die hij op het veld, in de bus of in de kleedkamer laat zien.’

De rebel krijgt een minnetje voor koppen. Snel is de groep het daarover eens. ‘Waarom geven jullie hem dan alle ballen hoog?’, vraagt de begeleider. Die wind van voren hadden ze niet verwacht. Gezamenlijk nemen ze zich voor de linksbuiten voortaan in de voeten te spelen. Een andere min blijkt geen hamerpunt. Ze vinden de rebel op het veld soms een ‘arrogante kwal’. Oei. Dat zal de coach later wel apart met de jongen bespreken, besluit de begeleider. Anders huilt hij waar iedereen bijzit. Tenslotte is de ene rebel de andere niet, weten ze bij Sparta. Op Pietje kan je twee keer boos worden – maar dan ben je hem kwijt. Wordt-ie opstandig, geeft-ie een ander een schop. Jantje kan je wel toespreken, maar nooit voor de groep. Klaas weer wel.

Jonge prof
Elke dag tasten ze bij de jeugdopleiding van Sparta af tot waar ze kunnen gaan bij een kind. Ondersteund door psychologisch adviesbureau De Talentenacademie en de Hogeschool Arnhem/Nijmegen doet hoofd opleiding van Sparta Richard Grootscholten eigenlijk iets onmogelijks. Van een kind een voetbalprofessional te maken. Geen onmogelijker paradox dan dat, weet hij ook wel. Je kunt een kind niet vragen zijn jeugd op te geven en een beroepsopleiding van soms tien jaar te volgen – terwijl maar een paar procent daadwerkelijk de top bereikt.

De maatschappelijke kosten van deze afvalrace zijn hoog. Veel teleurgestelde afhakers willen na alle investering nooit meer voetballen. Dat geldt ook voor zeventig procent van de amateurs, die door ouderwetse, negatieve coaching alle plezier en zelfvertrouwen verloren. ‘Zoveel schitterende talentjes haken af, zegt Grootscholten. ‘Fysiek, technisch en tactisch ontbreekt er vaak niets aan. Tot nu toe moeten wij trainers op het mentale vlak iets niet goed hebben gedaan.’

Er lijkt iets te veranderen in enkele van de 36 voetbalbolwerken van Nederland. Vraag het ouders van succesvolle én sommige afgevallen talenten – en je hoort dat hun kind in één jaar voetbal op het hoogste niveau meer leerde dan zeven jaar school. Ze komen voor zichzelf op, kennen hun sterktes en uitdagingen, spreken zich makkelijker uit.

Sparta Rotterdam won laatst de Rinus Michels Award 2009 voor de beste jeugdopleiding. Het viel de jury op dat de Spartajeugd met een kleine begroting veel bekers wint én het best is vertegenwoordigd in nationale teams. Grootscholten, geen bekende ex-prof maar afkomstig uit het onderwijs, weet hoe dat komt. ‘Sparta laat plezier prevaleren boven presteren. Eén jongen beter maken is belangrijker dan met het team winnen. Elke trainer in Nederland roept dat. Maar wij handelen er écht naar. Als ze maar niet degraderen.’

Bij de meeste profclubs gaan kinderen naar speciale scholen en doen hun huiswerk thuis. Sparta echter ontvangt kinderen vanaf hun twaalfde jaar vijf uur per dag. Ze trainen, douchen, lopen rond in hun Spartakleding, eten gezamenlijk warm, doen huiswerk, trainen nogmaals. Door de vele uren op de club hebben trainers alle tijd hen rustig te observeren. Gaan spelers bij andere clubs busje in busje uit, in Rotterdam-West is er de rust met een jongen langs het veld een half uurtje te babbelen. ‘Dat gaat soms helemaal niet meer over voetbal. We nemen echt een deel van de opvoeding en sociale ontwikkeling over.’

Rebel
Wat heet. Ze zeggen in Rotterdam bij de jongens aan een ‘reëel positief zelfbeeld’ te sleutelen. Tevens: aan een ‘uitgebalanceerde persoonlijkheid’, een ‘open vorm van communicatie’, gezonde lifestyle, mentale kracht en omgang met stress. In september maken speler en trainer afspraken over verbeterpunten, in mei volgt de afrekening. Boekt een jongen te weinig progressie, volgt afscheid. De tussenliggende periode is ‘één groot bewustwordingsproces’.

Volgens Grootscholten komt dat vooral neer op het ‘ombuigen van negatief gedrag op en rond het veld’. Gedrag, waarmee een jongen de top nooit zal halen. Gedrag ook, dat wijst op een bepaalde persoonlijkheid. Dat van ‘de rebel’, bijvoorbeeld. Elk jaar rollen bij psychologische testen onder de achttien C1-spelers er weer vijf met dat etiket uit de bus. Vaak zijn dat de grootste talenten. Thuis en op school raakten ze gewend aan een vedettestatus, die bij een profclub niet meer vanzelfsprekend is.

De trainers van Sparta zijn zich goed bewust van de ‘kneedbaarheid’ van veertienjarigen. Op deze leeftijd zijn voetbalprinsjes, die het door hun mentaliteit anders niet zouden halen, misschien nog te redden. Maar het valt niet mee door een muur te breken waar door ouders elke dag aan wordt gemetseld. ‘Hoe ken de coach jou nou reserve zetten Pietje, jij bent toch de beste!’

‘Wat een rotjoch is dat toch’, verzucht een radeloze C1-trainer soms tegen Grootscholten. Altijd heeft-ie problemen met dat gozertje. ‘Altijd is het ja maar. Ik zei toch ja? En dan doet ie het toch niet.’

De trainer zelf is ook getest door de Talentenacademie. Hij kent zijn eigen kwaliteiten en valkuilen. Hij wéét dat hij, als taakgericht ingesteld mens, allergisch is voor een linksbuiten die de kantjes eraf loopt. Voor diens trage omschakelen bij balverlies, het gescheld op scheids en medespelers. Laatst wisselde hij hem vijf minuten voor rust. Oude, dodelijke prikkel in voetbal. Het werd begroet met een middelvinger richting de dugout.

Recidivist
Wat te doen met zo’n geval? Grootscholten pakt er ‘Handelingsadviezen Rebel’ bij. ‘De rebel is gebaat bij sterke grenzen’, zo leest hij, ‘waarbinnen hij alle ruimte krijgt. Voor de wedstrijd mag hij niet de clown uithangen, na de wedstrijd wel. Overschrijdt hij een duidelijke grens waarvan hij de sanctie kent, zijn meerdere acties mogelijk.’

‘Pietje, wat gaan we doen. Heb je zelf een idee?’

‘U moet altijd mij hebben.’

Creëer een band, adviseert Grootscholten zijn trainers vaak. ‘Zeg: ik had vroeger hetzelfde als jij joh. Ik heb zo vaak mijn kop gestoten. Had ík toen maar een trainer die het samen met mij wilde oplossen. Je hebt het zelf in de hand jongen.’

Natuurlijk kun je een recidivist ook tien rondjes laten lopen. Gaat het weer fout: twee weken materiaaldienst. Maar het is slimmer een dreigement of straf om te draaien in een positieve prikkel. Bijvoorbeeld met een weddenschap. ‘Piet! Wat ben je toch een sukkel. Maar weet je wat? Als jij de volgende wedstrijd nul keer protesteert tegen de scheids, doe ík een weekie materiaaldienst. Want het lukt jou toch niet. En als jij medespelers hélpt in plaats van uitscheldt, poets ik ook je schoenen.’

Of de truc werkt of niet, altijd volgt een evaluatie. Vervolgens niks meer doen is dodelijk.

‘Hoe vond je het, míjn schoenen te poetsen? Niet leuk dat ik je voor de groep voor gek zette? Nou, ik zit daar ook niet op te wachten. Weet je wat, straffen doen we niet meer. Ik zal jou helpen. Vanaf nu gaan jij en ik elke vrijdag even samen in de dug out zitten. Praten.’

Tyfushond
Na weken van sit ins negeert de rebel weer arrogant een teamgenoot die hem in een wedstrijd vervangt. In het kantoortje van de trainer herinnert hij zich er niets van. ‘Bewijs maar.’

In zo’n hardnekkig geval kent Grootscholten een goede truc: de spiegel. ‘Om de jeugd van tegenwoordig nog te bereiken, moet je ze soms keihard confronteren met hun eigen gedrag. Video-opnames lenen zich daar perfect voor. Geen indringender beeld dan dat. Ik zag spelers letterlijk onder de tafel kruipen. ‘Zet uit, zet uit!’

Vervolgens wordt de jongen beelden getoond van Wesley Sneijder, die bij Ajax uitvaart tegen de scheids. ‘Blinde tyfushond!’

Volgt een later citaat van deze voetbalautoriteit: ‘Pas een jaar later zag ik in hoe negatief ik toen in de wedstrijd zat. Wat een energie mij en het team dat kostte!’

Tot slot wendt de trainer zich weer tot de jongen. ‘Het kostte Wesley een jaar van zijn carrière om het te snappen. Doe jij het in een week?’

Profcontract in zicht
Met vallen en opstaan stroomt de rebel de B1 in, twee jaar later de A1. Hij is nu zeventien. Zaakwaarnemers en anderen voeren de druk op hem verder op. Een profcontract is even dichtbij als uitstroom naar amateurs. Hij is slimmer dan vier jaar geleden. Niet-tolerabel gedrag vertoont hij alleen als de trainer uit zicht is. ‘Als je wilt weten wat er onder de jongens speelt, moet je nooit de kleedkamer inlopen’, zegt Grootscholten. ‘Alleen onder het raampje openbaart zich de waarheid.’

Wat als de rebel na al die jaren nog altijd lichtgeraakt is? ‘Soms kijk ik hem een week niet aan. Dat is toch het ergste voor een kind? Het lijkt me niet pedagogisch verantwoord. Als we ten einde raad zijn, waarschuwen we zijn ouders dat de komende maand niet leuk wordt. Dat we hem bewust gaan plagen op de training. We fluiten niet meer bij overtredingen tegen hem. Als ook dat niet helpt? Tja. Doodzonde, maar als hij niet gewoon zijn stinkende best doet, houdt het een keer op.’

Het boek De Voetbalbelofte, Achter de Schermen van de Jeugdopleiding van Jeroen Siebelink is verkrijgbaar in de boekhandel of via internet. Recensies en media-optredens zijn te bekijken op www.devoetbalbelofte.nl. Op de Nationale Coachdag van de KNVB, waar Jeroen workshops gaf, beval Foppe de Haan vierhonderd jeugdtrainers het boek aan. ‘De schrijver kruipt in het hoofd van onze jongens. Hoe beléven zij het eigenlijk?’

Tips van Sparta Rotterdam

1.Ken jezelf. Doe via internet een persoonlijkheidstest met jezelf en je kind. Leer elkaars kwaliteiten, valkuilen en allergieën kennen.

2.Zie jezelf. Film je kind, óók de ‘negatieve’ momenten. Bekijk samen de film.

3.Relativeer. Wissel dreigement en straf in voor weddenschap en beloning.

De neefjes Ties (11, PSV D2) en Niek (12, Vitesse D1)

‘Waarom ga jij over ons schrijven?’

‘Veel mensen denken dat een voetbalopleiding niet goed is voor kinderen.’

Grote ogen.

‘Waarom denken ze dat?’

‘Ze vinden het te volwassen, te gedisciplineerd.’

‘Dat is juist goed. Daar leer je van!’

‘Wat dan?’

‘Voetballen.’

‘Ja duhuh.’

‘En zelfstandig zijn’, zegt Ties. ‘Zelf mijn spullen pakken, veters vastmaken, op tijd zijn voor het busje, zelf eten, zelf drinken meenemen, zonder papa en mama naar de training gaan. Zelf douchen.’

‘Je krijgt zelfvertrouwen’, zegt Niek. ‘Tegen kritiek kunnen. Dat krijgen we elke dag. En iets doen met kritiek. Anders krijg je op je kop.’

‘Omgaan met jongens in mijn team die pesten of vervelend zijn.’

‘En sportief en beleefd zijn. Vooral tegen de scheids.’

Tessa (15, FC Twente Beloftes)
‘Ik ben op drie posities inzetbaar: op de 10 met de punt naar voren, de 6 met de punt naar achteren of links op 8. Nu wordt het tijd dat ik op één positie heel goed word. Mijn vorige trainer zag in mij een 6, zelf voel ik veel voor de 10. Volgens mijn rapport heb ik zelfvertrouwen en ben ik goed coachbaar. Soms bij de training sta ik te dromen en voer ik de oefening verkeerd uit. Op harde toon laat de trainer me dat weten. Daar schrik ik van, maar het helpt. Bij andere meisjes doet hij dat niet, die zouden gaan huilen. Lijd ik in de wedstrijd teveel balverlies, schreeuwt hij. Nog een keer en ik haal je eruit! Soms werkt dat, soms niet. Dan haalt hij me er tien minuten voor rust uit. Boos ben ik dan! Vooral op mezelf. Na de pauze mag ik er weer in. “Maar je weet waarom je eruit moest hè?” Dat dreigen en straffen werkt. Mijn ouders doen het ook. Anders brengen we je niet naar voetbal! Maar zij menen het niet echt.’

Enzo (17, Sc Heerenveen A1)
‘Elk half jaar houdt mijn club met elke speler een STIM-gesprek: Snelheid, Techniek, Inzicht en Mentaliteit. Ik vind het fijn om van mijn trainer te horen hoe hij precies over mij denkt. Sommige jongens krijgen een negatieve evaluatie, dat lijkt mij niet zo fijn, maar ik kreeg de laatste keer te horen dat ze veel vertrouwen in mij hebben en dat ik het betaalde voetbal “zeker” ga halen. Daar krijg ik alleen maar meer zelfvertrouwen van, ga er nog beter van voetballen. Een aanpak die voor mij minder werkt is het wekelijkse gesprek van groepjes uit ons team met de trainers. Omdat dit niet plenair gebeurt, weet ik niet welke dingen in andere groepjes zijn besproken. Zoals: elkaar meer corrigeren, hoe ga je met elkaar om buiten het veld, hoe leef je precies – hoe laat ga je slapen, wat eet je. En omdat deze gesprekjes niet altijd over voetbal gaan, vraag ik mij soms af wat wij als spelers er precies aan hebben.’